En dan is het alweer april. Tijd voor de meivakantie, dus: Frankrijk. Na een snelle pitstop bij de kapper (je wilt toch een beetje representatief aankomen op het Franse platteland) stappen we in de auto en zetten koers naar het zuiden. Antwerpen en Parijs laten zich verrassend soepel passeren. Sterker nog: we ontdekken een tien kilometer lange tunnel onder Parijs. Blijkt al sinds 2011 te bestaan. We voelen ons even heel up-to-date.

Rond een uur of zeven rollen we Saran binnen, onze vaste tussenstop. Inchecken bij het B&B Hotel, spullen op de kamer en door naar de 3 Brasseurs. Flammkuchen voor Ingeborg, een hamburger die ongeveer voor de helft uit kaas bestaat voor Erwin — precies zoals het hoort.

Zondagochtend vroeg weer op pad voor de tweede etappe. In Cahors maken we een korte stop (want ja, we waren er toch) en lopen even de Pont Valentré op. Daarna door. Tegen vieren stappen we uit bij ons huis en worden meteen herinnerd waarom we hier zo graag zijn: het is bijna zomers warm. Binnen no-time verruilen we onze lange broeken voor korte exemplaren. Stoeltjes naar buiten, drankje erbij — we zijn officieel geland.

Maandag is een combinatie van “even bijkomen” en “toch maar wat doen”. Het gras — inmiddels meer weiland dan gazon — wordt gemaaid. Er komt een hor voor de deur (want Frankrijk = insecten) en we doen wat boodschappen.

Dinsdag rijden we naar Cordes-sur-Ciel. We struinen door de straatjes en doen alsof we daar heel goed in zijn. Een heerlijk levendig dorp. Ook in de omgeving pikken we nog wat kleinere plaatsjes mee.

Op 22 april realiseren we ons dat het precies twee jaar geleden is dat we hier voor het eerst rondliepen en dachten: “misschien is dit wel wat.” Als we de foto’s van toen naast nu leggen, is het verschil behoorlijk indrukwekkend. En nog altijd geen moment spijt gehad — ook niet als we weer eens een project bedenken.

Zoals vandaag. Met een betonboor van één meter lang gaan we een gat boren door een muur van 65 cm dik. Gewoon, omdat het kan. En omdat we graag een buitenstopcontact willen. Na wat overtuigend boorwerk is het gelukt: we kunnen nu de auto thuis opladen. Ongeveer 120 kilometer per nacht voor nog geen €3,50. En vooral: geen gedoe meer met snelladers in Agen of Lauzerte.

Donderdag: tuintijd. Onkruid eruit, wat aarde en houtsnippers erbij. Het linkerdeel van de tuin verdient nog wat liefde — momenteel vooral een verzameling “natuur zoals het niet bedoeld is”. Vrijdag lossen we dat op. We vinden een bedrijfje met stenen die perfect bij het huis passen. De verkoper kijkt ons licht sceptisch aan als we alles in de auto willen laden. “Ja hoor, past wel.” Thuis blijkt dat we 375 kilo aan materiaal hebben meegenomen. Details.

We leggen de randen alvast neer en zien meteen: dit werkt. Met steenstrips erbij wordt het nog mooier. Conclusie: we mogen nog een keer terug. Vervelend.

Tegen de avond komen Linda en Ronald aan. Gezelligheid! Ze blijven een paar dagen en we spelen toerist in eigen omgeving: de markt in Villeréal, Monpazier (inclusief soundcheck voor een festival), Château de Biron, Tournon-d’Agenais en Puy-l’Évêque. Op zondag doen we nog een rondje “Ferme en Ferme” — een soort open boerderijdag, maar dan Frans.

Maandag zwaaien we ze uit en gaan we zelf weer op pad. Eerst nog even twee kistjes steenstrips ophalen (we waren toch in de buurt…), daarna door naar Bergerac waar Yolanda landt. En omdat we toch lekker bezig zijn, rijden we meteen door naar Cadouin voor een bezoek aan de abdij. Efficiëntie op vakantieniveau.

De dagen daarna staan weer in het teken van de tuin. Onkruid in zakken, stenen op stapels, borders netjes maken, aarde erin en wat planten erbij zodat het er ook echt uitziet alsof we weten wat we doen. Tussendoor bezoeken we Villeréal en Monpazier nog een keer, maar dan zonder weekenddrukte — een stuk relaxter.

Donderdag is het fris in Beauville, dus we besluiten een stukje te rijden naar Saint-Cirq-Lapopie. Absoluut de moeite waard. We lopen er een paar uur rond terwijl de zon zich langzaam laat zien. Daarna via de supermarkt in Cahors weer terug naar huis — want ook op vakantie moet er gewoon gegeten worden.

En dan is het 1 mei. Dag van de Arbeid. In Frankrijk betekent dat vooral: niet werken. Behalve in Tournon-d’Agenais, want daar is een plantenmarkt. Het hele dorp staat vol kraampjes en mensen. Vooral veel planten, voor als je nog niet genoeg plannen had voor je tuin. Geïnspireerd (en licht overmoedig) gaan we ’s middags meteen aan de slag met de steenstrips. Het resultaat: het begint er ineens serieus “af” uit te zien.

’s Avonds ruimen we alvast op, zodat we de volgende ochtend direct kunnen vertrekken zodra de bakker open is. Want ja, ook aan deze vakantie komt een einde. We rijden relaxed tot voorbij Parijs en overnachten bij Van der Valk op het vliegveld. Zondag cruisen we over opvallend rustige — en natte — Franse en Belgische wegen terug naar Nederland.

Nog tien weken. Dan mogen we weer. Gelukkig maar.